Rechter, rechtbank. Foto: iStock / Alexstar

Opvallende arbeidsrechtelijke uitspraken in coronatijden

De coronacrisis treft zowel werkgevers als werknemers. In de praktijk zien we voorbeelden van situaties waarin men de handen ineen slaat. Denk aan een bedrijf dat alle zeilen moest bijzetten om op tijd de vakantiebijslag te betalen, hetgeen lukte, waarna een deel van het personeel als dank en op eigen initiatief voorstelde om op vrijwillige basis een flink aantal verlofdagen op te nemen. Zo gaat het echter niet altijd. Patrick Mommers, jurist arbeidsrecht, gaat in op een aantal uitspraken van rechters die in arbeidsrechtelijk perspectief interessant zijn.

De kantonrechter in Den Bosch moest oordelen over een zaak waarin de werkgever geen loon aan een medewerker betaalde. De werkgever verweerde zich onder meer door te stellen dat de werknemer wegens de coronacrisis niet had gewerkt. In de wet is echter geregeld dat een werkgever het loon aan een werknemer dient te betalen, behalve als niet gewerkt wordt vanwege een omstandigheid die voor rekening en risico van de werknemer komt.

De corona-crisis is niet zo’n omstandigheid, waardoor de werkgever toch moest betalen. Die uitspraak lag voor de hand. De rechter hield enigszins rekening met de grote problemen waarin de werkgever was komen te verkeren, door de vordering van de medewerker tot betaling van 50 procent wettelijke verhoging over het verschuldigde loon te beperken tot 10 procent.

Verlofrechten

Aan de kantonrechter in Rotterdam werd een zaak voorgelegd waarin de werkgever op 31 maart 2020 richting het personeel communiceerde dat als uitgangspunt gold dat 20 procent van de arbeidstijd in overleg met de leidinggevende als vakantie zou worden opgenomen. De werkgever hield de betreffende verlofrechten bij deze medewerker ook daadwerkelijk in. In de arbeidsoverkomst stond een zogenaamd eenzijdig wijzigingsbeding.

Dat betekent niet dat een werkgever heel eenvoudig wijzigingen kan doorvoeren. Dat kan alleen maar als de werkgever bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de medewerker dat door die wijziging wordt geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. De werkgever verwees kennelijk alleen maar, en veel te summier, naar de coronacrisis als onderbouwing van het eerdergenoemde zwaarwichtige belang.

Dat vond de kantonrechter veel te mager. Bovendien stelde de kantonrechter vast dat de werkgever had aangegeven dat het opnemen van vakantie slechts een uitgangspunt was, en dat er géén overleg met de leidinggevende had plaatsgevonden. Deze werkgever mocht dus niet eenzijdig verlofdagen afschrijven.

Uitbetaling loon

Een bedrijf in Amsterdam zat – mede door een beperkte tegemoetkoming van 60 procent van de loonsom over januari 2020 uit hoofde van de NOW-regeling – zodanig in de problemen dat besloten werd, eenzijdig en zonder overleg, om 50 procent van het loon van de medewerkers niet uit te betalen. Eén van die medewerkers legde de kwestie voor aan de kantonrechter in Amsterdam.

Die had op zichzelf wel begrip voor de positie van de werkgever, en vond dat het voldoende aannemelijk was dat door de buitengewone omstandigheden waarin werkgever verkeerde, een onvoorziene bedrijfseconomische noodsituatie aanwezig was. Daardoor had deze werkgever volgens de kantonrechter een zwaarwichtig belang dat in beginsel mee zou kunnen brengen dat aan de werknemers gevraagd zou kunnen worden om in overleg bepaalde arbeidsrechtelijke aanspraken op te schorten of zelfs helemaal prijs te geven.

Inkomensachteruitgang

Maar omdat de werkgever alles eenzijdig en zonder overleg deed, en omdat het niet betalen van 50 procent van het salaris een te forse inkomensachteruitgang met zich meebracht waardoor de medewerker in de financiële problemen kwam, besloot de kantonrechter uiteindelijk dat niet van deze medewerker kon worden verlangd dat ingestemd zou worden met opschorting van 50 procent van het salaris.

Hierbij speelde ook een rol dat niet duidelijk was wanneer de werkgever weer wel over voldoende middelen zou beschikken om de achterstanden in te lopen. De werkgever haalde dus bakzeil. De kantonrechter kwam hem nog een beetje tegemoet door de wettelijke verhoging en de wettelijke rente op nihil te stellen.

Geconcludeerd kan worden dat rechters weliswaar begrip hebben voor de moeilijke positie waarin werkgevers verkeren, mits deze grondig en zorgvuldig wordt onderbouwd, maar uiteindelijk erg kritisch zijn in de uiteindelijke oordelen.

Auteur: Patrick Mommers

Patrick Mommers is als jurist verbonden aan Koninklijk Nederlands Vervoer.

Reageren op dit artikel is niet mogelijk.