kind, taxi, leerlingenvervoer, taxichauffeur

Helft gemeenten strenger in toekennen leerlingenvervoer

Ruim de helft van de gemeenten is strenger geworden in het toepassen van de gemeentelijke Verordening leerlingenvervoer. Vooral grotere gemeenten kijken naar alternatieven voor taxivervoer. Dat heeft een besparing opgeleverd van 10 miljoen euro, waardoor het totale budget is gedaald naar 230 miljoen. De gemiddelde vervoersprijs per leerling bedroeg vorig jaar 2.900 euro. Dat blijkt uit de Monitor Leerlingenvervoer in Nederland door het ministerie van OCW.

De kosten per leerling van gemeenten met meer dan 100.000 inwoners zijn gemiddeld lager (ca. €2.500) dan kleinere gemeenten (ruim €3.000).

Soort vervoer

De gemeenten die de gemeentelijke Verordening leerlingenvervoer strenger zijn gaan toepassen kijken vooral naar het soort vervoer. Dat geldt vooral voor grotere gemeenten. Er wordt gekeken naar alternatieven voor het taxivervoer, wat voor gemeenten een relatief dure vervoersvorm is.

Ruim een derde van de gemeenten zegt de verordening strenger toe te passen met betrekking tot het type onderwijs waarnaar vervoerd wordt, de reden voor vervoer en/of de afstand. Bij de afstand van huis naar school (en visa versa) is in veel gemeenten de kilometergrens verhoogd naar 6 kilometer.

Driekwart van de gemeenten geeft te kennen dat ze de Verordening leerlingenvervoer gaan aanpassen, of reeds hebben aangepast. Een kwart van de gemeenten laat de verordening ongemoeid. Van de gemeenten die de verordening aanpassen, neemt iets meer dan de helft de nieuwe Modelverordening leerlingenvervoer van de VNG over. De meeste gemeenten lijken wijzigingen door voeren binnen het soort vervoer.

Modelverordening leerlingenvervoer

Iets minder dan de helft van de gemeenten gaat de bestaande gemeentelijke Verordening leerlingenvervoer onder handen nemen. Iets meer dan de helft neemt de zopas verschenen nieuwe Modelverordening leerlingenvervoer van de VNG over. Bovenaan bij het strenger toepassen van de Vervordening staat het toekennen van het soort vervoer; dit biedt volgens het rapport ook de beste mogelijkheden voor kostenbesparing. Ongeveer driekwart van de gemeenten past de verordening op dit onderdeel strenger toe.

In de praktijk betekent dit vooral dat er strenger wordt gekeken naar het aangepast vervoer (vaak taxivervoer), wat in de uitvoering een relatief dure vorm van vervoer is voor gemeenten. Op grote schaal wordt gestimuleerd dat leerlingen meer op eigen gelegenheid (fiets) of met het openbaar vervoer naar school gaan.

0-meting

Ongeveer vier op de tien gemeenten signaleert dat de kosten toenemen (41%), een bijna even groot percentage (38%) ziet een afname van de vervoerskosten. Bij ongeveer een vijfde van de gemeenten is geen verschil in de kosten. In de gemeenten waar de kosten stijgen, gaat het in totaal om ca. €16 miljoen. In de gemeenten waar de kosten dalen, om ca. €26 miljoen.

Stijging van de kosten kwam vooral door de jaarlijkse indexering door vervoerders (zog. NEA-indexering). Hieronder vallen bijvoorbeeldhogere loon- en brandstofkosten. Scholen die afwijkende schooltijden hanteren zorgden voor meer vervoersbewegingen. Of de vervoerder ging failliet en het contract met de nieuwe vervoerder viel duurder uit.

Lagere prijs

Daling van de kosten kwam vooral door een gunstigere aanbesteding van het leerlingenvervoer voor de gemeenten (lees: lager taxitarief). Een gezamenlijke aanbesteding (meerdere gemeenten) van het leerlingenvervoer. Invoering van opstapplaatsen en beperking van ‘soloritten’. Efficiëntere indeling van het busvervoer (hogere bezettingsgraad in de bus). En bij een aantal kleine gemeenten werden leerlingen niet meer met de taxi vervoerd.

Bijna twee derde (65%) van de leerlingen die gebruikmaken van de regeling leerlingenvervoer gaan naar het (voortgezet) speciaal onderwijs, en dan met name naar cluster 3 en 4 (samen goed voor 48%). Voor cluster 1 en 2 is dit samen 17%. Nog eens 9% van de leerlingen die gebruik maken van de regeling zit op het regulier basisonderwijs en 23% op speciaal basisonderwijs. Tot slot zit zo’n 3% op het regulier voortgezet onderwijs (incl. praktijkonderwijs).

Handicap

De belangrijkste reden om vervoerd te worden is vanwege een handicap (65%). Daarnaast maakt 16% van de leerlingen maakt gebruik van de regeling leerlingenvervoer op basis van alleen de afstand. Vervoer op grond van denominatie in combinatie met afstand bedraagt zo’n 8%, op grond van stage 3%. Overige vervoersredenen tot slot zijn zo’n 8%.

Er wordt vooral gebruik gemaakt van aangepast vervoer (georganiseerd vervoer met bus of taxi), namelijk 80% van de leerlingen waarvan vervoer wordt vergoed. De overige 20% gaat met openbaar- of eigen vervoer. Bijna alle vervoerskosten zitten in het aangepast vervoer: 95%. 43% van de leerlingen maakt gebruik van kort vervoer (2 tot 10 kilometer), 36% van de leerlingen wordt vervoerd over een middellange afstand (10 tot 20 kilometer) en 21% wordt meer dan 20 kilometer vervoerd. Gemeenten gaven verder aan dat zij verschillende vervoersoorten vaker combineerden afhankelijk van het seizoen: in de lente/zomer vaker bv. eigen vervoer of OV, in de herfst en winter aangepast vervoer.

Vervoerde leerlingen

Het landelijke gemiddelde percentage vervoerde leerlingen, gerelateerd aan het totaal aantal leerlingen (po, vo, (v)so) is 3,5%. In kleine gemeenten (tot 50.000 inwoners) maken, per schoolgaande leerling, gemiddeld iets meer leerlingen gebruik van de vervoersregeling dan gemeenten met meer dan 50.000 inwoners. Dit is niet verwonderlijk, aangezien in kleine gemeenten minder onderwijsvoorzieningen aanwezig zijn, met name voor (v)so.

Het merendeel van de gemeenten hanteert de 6 kilometergrens (76%). Veel minder gemeenten leggen de grens tussen 2 en 4 kilometer (13%) of tussen 4 en 6 kilometer (18%). 43% van de leerlingen maakt gebruik van kort vervoer (2 – 10 kilometer. Iets minder leerlingen wordt middellang vervoerd (10 – 20 kilometer) en nog eens een vijfde van de leerlingen (21%) wordt meer dan 20 kilometer vervoerd. Het middellang vervoer brengt verhoudingsgewijs de meeste kosten met zich mee: 43% van de totale kosten.

Betrouwbaar beeld

Per gemeente is de gemiddelde formatie voor uitvoerende taken 0,70 fte, voor beleidstaken 0,24 fte. Vooral de formatie voor uitvoerende taken is afhankelijk van de gemeentegrootte en varieert van ongeveer 0,5 fte tot 5 fte. Voor beleidstaken is er doorgaans één ambtenaar, met een taakruimte tussen 0,2 en 0,5 fte.

Gezien de hoge respons bij deze 0-meting (317 gemeenten deden mee, dat is 78% van de Nederlandse gemeenten) verwachten de onderzoekers een betrouwbaar beeld te schetsen van het totaal aantal leerlingen dat gebruik maakt van de regeling leerlingenvervoer en de kosten hiervan.

Samenwerkingsverband

Ruim een derde van de gemeenten (39%) heeft overleg binnen een samenwerkingsverband passend onderwijs. Dit overleg gaat onder andere over aanbesteding en uitvoering van het leerlingenvervoer en over de consequenties van de invoering van passend onderwijs. Bij ruim een kwart van de gemeenten (25%) staat dit op korte termijn gepland.

Bij de helft van de gemeenten staat het leerlingenvervoer (nu of binnenkort) op de agenda van het OOGO, het overleg met het samenwerkingsverband. Deze informatie is volgens de onderzoekers van belang, zowel voor de rijksoverheid als voor de gemeenten zelf, om de komende jaren beleid op te maken. “We bevelen daarom aan om te verkennen hoe de registratie van gemeenten verbeterd kan worden.”

Bekijk de Monitor Leerlingenvervoer.

Bart Pals

Auteur: Bart Pals

Reageren op dit artikel is niet mogelijk.